|
Misschien denkt u wel: saaie club, die juryleden van de
Woutertje Pieterse Prijs! Dat zijn ze ook. Altijd met hun neus
in de boeken. Maandenlang als bezeten gouddelvers of
parelvissers koortsig op zoek naar het edelmetaal tussen het
gruis. Naar die éne volmaakte parel tussen smurrie en
drab. Maar de jury van deze 24ste editie vond wél het
Eldorado, de vruchtbare oesterbank. En ze was bijzonder verguld
met de rijke oogst. Gruis en smurrie bleven binnen de perken.
Na zorgvuldig wikken en wegen van de ruim 120 ingezonden
kanshebbers taxeerde ze uiteindelijk zowat vijftien opvallende
exemplaren op schoonheid, vorm en gewicht. Het werd een
spannende 'embarras du choix', een 'embarrassment of riches'.
En dat gebeurt niet vaak. Maar er moest worden gekozen,
hoogdringend. En dat deed ze eensgezind.
Eén perfecte parel uit het snoer, één
24-karaats goudkorrel wist ons meteen en unaniem te verleiden,
te charmeren, te ontroeren en te intrigeren. Een meerstemmig
verhaal is het, boordevol grote en kleine verhalen, en een
magistrale ode aan de vertelkunst. Een overrompelend boek ook,
dat zich niet onder één noemer laat vangen. Het
koestert je genereus in een warm familienest, het betovert je
onweerstaanbaar met zijn magische, haast mythologische sfeer,
het maakt je veel wijzer in een stuk vaderlandse geschiedenis,
het neemt je mee naar het hoofd en het hart van een opgroeiend
meisje, én het laat je rondstruinen op de weggetjes en
straten van een provinciaal stadje en in de huizen van de
bizarre bewoners. Een streekroman, een familiesaga, een
oorlogsverhaal, een coming-of-age-boek, een
magisch-realistische roman, vroegen we ons af? Vijf in
één, vonden we. Vijf halen één betalen!
Daarom alleen al is dit boek een huzarenstuk. Maar er is meer,
veel meer. Al die verhaallagen en uitgezette lijntjes lopen in
een perfecte regie in elkaar over en vallen aan het eind
rimpelloos in de plooi. De schrijver speelt meesterlijk met
subtiele verwijzingen naar wat komt en naar wat voorbij is en
houdt de compositie stevig in de hand. Zijn onvergetelijke
personages zijn springlevend en verbluffend authentiek.
Voorspelbare clichés en melige dramatiek kom je hier niet
tegen. Je gelooft wat je leest, en daar gaat het om in
echte literatuur. Dit is geen opdringerige mooischrijverij,
maar grote literatuur, in een hoogst originele stijl en taal
opgeschreven: sober en gedoseerd, direct en poëtisch,
sfeervol, geestig en suggestief. De krachtige beelden, de
verrassende en treffende formuleringen en de levensechte
dialogen staan steeds in dienst van het verhaal.
Het wordt de hoogste tijd, dames en heren, om dat kleinood
met het gepaste respect uit de juwelenkist te halen.
In 2004 liet de schrijver van vandaag al verrassend van zich
horen, met een verfrissende en eigen stem. Hij werd er toen
terecht uitvoerig voor bewimpeld. Zes jaar later klinkt die
stem mogelijk nog krachtiger in een nieuwe roman. Je komt als
vanzelf weer thuis bij het Zuid-Limburgse gezin Boon en de
vertrouwde huisgeesten Nienevee en Sjar. Het staat er nog, het
grote bouwvallige huis, op de Sjlambams Sahara, een stoffige
weg naar de Duitse grens. En allemaal zijn ze present om je
liefdevol te omarmen. Oma Mei, met haar vervaarlijk tollende
uilenoog en haar 'geleend verdriet'. Als vanouds is ze de rots
in de branding sinds de dood van de moeder. En daar is de Pap,
de eeuwige verliezer, de appelvanger en dromenverkoper, die
koppig blijft hopen op een stabiele toekomst en op 'het
tegendeel van zorgen'. De broers ook, 'een ontembare
vierkoppige draak', en hun vriendinnen. Maar alles draait weer
om de 'zussenmachine met tandwielen die feilloos in elkaar
grijpen'. Fing, de oudste van het stel is vertelster van
dienst; 'heilige boon' tegen wil en dank en bekommerd om alles
en iedereen, ziet ze haar droom om door te leren in rook
opgaan. En Muulke, nog steeds haar onweerstaanbaar baldadige
zelf. Jes met haar 'zwervel' en haar kriepende korset blijft
voorlopig het gekoesterde zorgenkind. 'Haar inademing paste
precies in mijn uitademing', zegt Fing. De schrijver situeert
zijn indrukwekkende familie-epos tussen 1938 en 1943. Er hangt
oorlog in de lucht. Die dreiging, eerst nog wat gerommel op
veilige afstand, verstoort langzaam het kabbelende bestaan.
Fing gaat in dienst bij de Pruusin, de vrouw van de grote
Sigarenkeizer, om daar tegen royale betaling het rare nichtje
Liesl te entertainen, een manipulerend nest waar geen hoogte
van te krijgen is. Muulke gaat aan de slag in de
tricotagefabriek en Jes klust op de school. Als de Pap en de
broers naar een Duits werkkamp worden getransporteerd stort de
wereld voor de onverwoestbare Oma Mei even in en nemen de
zusjes het roer van haar over. Het huis wordt 'een stolp van
verdriet' en Fing kan niet langer 'langs de oorlog heen
kijken'. Het wordt zo subtiel voelbaar gemaakt: 'Toen het
uiteindelijk oorlog werd, was het alsof de tijd aan een slap
touw had vastgezeten en nu met een gonzende ruk strakgetrokken
werd.' Fings ontgoochelende eerste liefde voor een
leugenachtige zwartjas, Muulke bij het verzet, de
rantsoenbonnen, de bommen, de joden-transporten... Het wordt
menens. De oorlog brengt ook de 'zussenmachine' aan het
wankelen. Leest u even mee: 'Ons bed was gekrompen. Ooit hadden
we er met gemak in gepast. Maar dat was niet de enige
verandering. We vlochten onze voeten niet meer in elkaar.' Aan
het eind brengt Fing joodse Liesl met gevaar voor haar eigen
leven in veiligheid en valt alles meteen samen.
Apocalyptische taferelen lees je in dit overweldigende boek:
hoe het oude mijnpaard in vuur en vlam wegdraaft door de nacht.
En hoe Liesl in Duitsland aan het geweld van de Kristallnacht
ontsnapt door zich tussen de reuzenpoppen van haar opa's
speelgoedwinkel stil te houden. Of hoe fragiele Jes op het
nippertje niet op een foute trein terecht komt. En weer die
argeloze Jes op de mottige kermiscarrousel op het moment dat de
oorlog écht uitbreekt. Zo staat het er: 'Zij zat nog
steeds op haar driepotige giraf en spoorde hem wild aan alsof
ze niet alleen het dier en de carrousel maar de hele
stilgevallen wereld opnieuw in beweging wilde krijgen.'...
Adembenemende scènes zijn het. We kunnen nog uren doorgaan
met navertellen en prachtige citaten liggen voor het rapen. U
moet dit allemaal dringend lezen!
De auteur brengt hier met uitzonderlijk vakmanschap een
wonderlijk universum tot leven, beklemmend en hartverwarmend
tegelijk, dat lezers, jong en oud, ontroert, vasthoudt en
verbaast.
Daarbij schetst hij een verhelderend beeld van de
geschiedenis van Sittard en de jodenvervolging tijdens de
Tweede Wereldoorlog. Meteen geeft hij het Limburgse stadje een
mythische Macondo-status mee. W.F.Hermans zei het al: 'Alle
grote literatuur is provinciale literatuur. Wat is
wereldliteratuur? Dat is literatuur uit provincies waar de hele
wereld belangstelling voor heeft.' Einde citaat. Onze
belangstelling is alvast gegarandeerd. Nu de uwe nog en die van
de hele wereld. Want toegegeven: 'We komen allemaal van Gods
bakplaat', toch?
Langs dit magistrale boek konden we met onze tollende
uilenogen onmogelijk heen kijken.
Met volstrekte unanimiteit roept de jury meesterverteller
Benny Lindelauf en zijn Hemel van Heivisj uit tot
winnaar van de Woutertje Pieterse Prijs 2011.
Amsterdam, 3 maart 2011
De jury
Karel Berkhout
Frank Groothof, voorzitter
Kees t Hart
Suzanne Hertogs
Annemie Leysen
|

|